Menu
ingeklapt

De chat is beschikbaar van maandag tot en met vrijdag tussen 13:00 en 16:00 uur. Is de chat offline? Stel uw vraag via ons contactformulier.

Uw zoekacties: Gelderse Rekenkamer
x0012 Gelderse Rekenkamer

Archieftoegang

Hier vindt u de inventaris van een archieftoegang. Hierin staat beschreven welke stukken zich in dit archief bevinden. 
 
Het nummer dat voor de titel van het archief staat is het toegangsnummer van dit archief. Het nummer dat voor de beschrijving van een stuk staat is het inventarisnummer. 
  • Bij ‘Kenmerken’ vindt u algemene informatie over dit archief
  • Bij ‘Inleiding’ vindt u achtergrondinformatie over dit archief, denk hierbij aan de openbaarheid, de archiefvormer en de oorsprong en opbouw van het archief.
  • Bij ‘Inventaris’ vindt u de lijst met beschrijvingen van stukken die zich in dit archief bevinden. 

Hoe zoekt u door een archieftoegang?

Klik op de zoekbalk links bovenin en voer uw zoekterm(en) in. Klik vervolgens op ‘zoek’.
Onder ‘Gevonden archiefstukken’ verschijnen de beschrijvingen van stukken uit dit archief waar deze term in voorkomt. Om te zien in welk deel van het archief deze stukken zitten klikt u op ‘Inventaris’. Dor telkens te klikken op het woord/de woorden die vetgedrukt worden weergegeven komt u uit bij de (met geel gemarkeerde) zoektermen. 

Welke archieftoegangen heeft het Gelders Archief?

Bekijk het Archievenoverzicht  om te zien welke archieven zich in het Gelders Archief bevinden. Deze zijn niet allemaal geïnventariseerd en beschikbaar voor inzage. Als er geen inventarislijst beschikbaar is, is dit archief helaas nog niet in te zien. 
 

 

0012 Gelderse Rekenkamer
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
1. Openbaarheid en citeren
2. De geschiedenis van de Rekenkamer
0012 Gelderse Rekenkamer
Inleiding
2. De geschiedenis van de Rekenkamer
Het in dezen inventaris beschreven archief heeft betrekking op het beheer van de Geldersche domeinen
Nadat het tractaat van Venlo van 12 September 1543 KAREL V in het bezit had gesteld van de landsheerlijke rechten in Gelre en Zutphen, werd den Hollandschen rekenmeester GERARD VAN RENOY, heer van Spijk, den 21sten van die maand gelast, zich naar Arnhem te begeven om met den Stadhouder (den prins van Oranje) en LODEWIJK VAN VLAANDEREN, heer van Praet, te beraadslagen over den toestand der Geldersche domeinen. Uit zijn eerste rapport aan de Regentes, waarvan Mr. J.J.S. baron SLOET een uitgaaf heeft bezorgd *  , blijkt, dat hij 6 of 7 October te Arnhem aankwam.
Hij vond daar in een nevengebouw van het hertogelijke hof, waar hertog KAREL in 1538 overleden was, de van dien hertog afkomstige rekeningen, charters en registers en als bewaarder daarvan den secretaris JOHAN BELL. Deze had reeds in de laatste regeeringsjaren van hertog KAREL als zoodanig gefungeerd en was ten tijde van hertog WILLEM VAN KLEEF belast met het nazien van de rekeningen, die vervolgens door gecommitteerden van dien hertog werden afgehoord. In deze functies werd hij door den Stadhouder gecontinueerd en 5 Maart 1544 werd hem door den Keizer commissie gegeven als secretaris van de rekenkamer, charterbewaarder en conciërge van het gebouw, waarin zich de charterkamer bevond en waar de rekenkamer, de leenkamer en de kanselarij zouden worden vereenigd. Onder de rekenkamer heeft men hier niet te verstaan een college, doch het vertrek, waar de daartoe bevoegde personen zich zouden bezighouden met het nazien en afhooren van domeinrekeningen.
RENOY werd 5 Juni 1544 opnieuw naar Gelderland gezonden, om de domeinen te inspecteeren. 30 Januari 1545 werd hij benoemd tot rentmeester-generaal van de Geldersche domeinen. Als zoodanig was hij onderworpen aan het toezicht van de Brabantsche Rekenkamer te Brussel, uit welk college GREGORIUS VAN DIEVE 30 Juni 1546 naar Gelderland werd gezonden, o.m. om met RENOY de rekeningen der subalterne rentmeesters en van de tollenaars en officieren af te hooren. 1 Januari 1549 werd RENOY als rentmeester- generaal opgevolgd door den Brabander THOMAS GRAMAYE, een broeder van den ontvanger-generaal van Brabant JACQUES GRAMAYE. Tegelijkertijd werd bepaald, dat de comptabele ambtenaren in Gelderland zich naar Brussel hadden te begeven, om in de Rekenkamer aldaar hunne rekeningen te doen afhooren, een maatregel, waartegen veel verzet ontstond. RENOY en VAN DIEVE bleven tot in den herfst van 1557 zich bij tusschenpoozen in Gelderland ophouden voor het beheer van de domeinen.
Zij slaagden er in, dat beheer op Bourgondisch-Oostenrijksche leest te schoeien, hetgeen o.m. blijkt uit de uniforme inrichting der rekeningen, afwijkende van die in den hertogelijken tijd. Bovendien wisten zij vele verduisterde domeinen op te sporen en een groot aantal verpande domeinen te lossen. Het laatste geschiedde met behulp van een in 1547 door de Staten toegestane bede. In November 1557 overleed JOHAN BELL, die tot zijn dood een belangrijk aandeel aan het domeinbeheer heeft genomen. Hij werd in zijn verschillende functies opgevolgd door den klerk van de kanselarij REINER DIBBETS, die dus voortaan de eenige helper te Arnhem was van den rentmeester-generaal GRAMAYE. De verre afstand van Brussel en de geest van verzet tegen de regeering aldaar maakten het toen onvermijdelijk, dat te Arnhem een college belast werd met het domeinbeheer, dat bovendien zeer in omvang was toegenomen door de bovengenoemde lossing van domeinen.
De koninklijke ordonnantie, waarbij dit college werd ingesteld en van een instructie voorzien, is van 9 Februari 1559 *  . De instructie was ontleend aan die van de Rekenkamer te Rijsel, van 5 October 1541. Voortaan zouden onder de Kamer van Finantiën te Brussel vier Rekenkamers ressorteeren, te Rijsel, Brussel, 's-Gravenhage en Arnhem. De ondergeschikte verhouding tot de Kamer van Finantiën kwam hoofdzakelijk hierin uit, dat deze brieven van ordonnantie af moest geven voor alle buitengewone betalingen, uit de inkomsten der domeinen te doen. Zoolang GRAMAYE landrentmeester-generaal was, tot en met 1562, werden zijn rekeningen afgehoord door de Rekenkamer in Brabant, maar overigens heeft dit college zich niet meer ingelaten met het beheer van de Geldersche domeinen.
Er werd echter voor zorggedragen, geen Gelderschman in de Rekenkamer te benoemen. De eerste rekenmeesters waren REINER VAN DER DOES en BOUDEWIJN VAN DER BOE. Auditeur werd DIRK VAN BUREN, terwijl de bovengenoemde REINER DIBBETS als secretaris in functie bleef. De bedieningen van charterbewaarder en conciërge van de kanselarij behield hij daarbij en hij bleef ze behouden, ook toen hij in 1570 auditeur werd naast VAN BUREN, in verband met de vermeerdering van werkzaamheden tengevolge van het aan de Rekenkamer opgedragen beheer van in beslag genomen goederen. Daar DIBBETS eerst in 1598 overleed, heeft hij er voor kunnen zorgen, dat in de troebele tijden de noodige continuïteit bij het domeinbeheer werd in acht genomen. Na het overlijden van VAN BUREN in 1578 is er geen tweede auditeur meer benoemd.
De ambten van auditeur en charterbewaarder bleven vereenigd, VAN DER DOES is 20 Januari 1563 als eerste rekenmeester opgevolgd door THOMAS GRAMAYE, in wiens plaats de klerk GEDEON VAN DER HOUVE landrent-meester-generaal werd. In 1570 werd in verband met de bovenvermelde vermeerdering van arbeid een derde rekenmeester benoemd, ditmaal een inlander, JOHAN BENTINCK. 2 November 1578 heeft graaf JAN VAN NASSAU de geheele Rekenkamer, met uitzondering van den auditeur DIBBETS, ontslagen. Dat ontslag geschiedde met consent van het Hof en was in overeenstemming met het besluit van den Landdag om de Kamer van Finantiën te Brussel "niet te kennen". Toch is aan GRAMAYE, die zich te Antwerpen bevond, nog gedurende eenige jaren tractement uitbetaald en eerst 28 Juni 1580 hebben drie nieuwe rekenmeesters, t.w. GOOSSEN VAN VARICK, RUTGER TULLEKEN en JACOB VAN OMMEREN, commissie ontvangen.
Hoewel de Landdag 24 April 1580 besloten had, die uit eigen naam te verleenen, heeft het Hof dit toch nog in naam des Konings gedaan. Dit was juist, want vóór de afzwering van den landsheer bestond er geen aanleiding voor de Staten om zich als eigenaars van diens domeinen te gedragen. Na de afzwering hebben zij dit wel gedaan en zoo was dus sinds 1581 de Rekenkamer een college, dat aan de Staten van Gelderland ondergeschikt was en belast met het beheer der domeinen van het gewest en bovendien met het bewaren van charters en andere archivalia, die aan de Landschap toebehoorden. Het domeinbeheer in de aan den Koning trouw gebleven gedeelten van Gelderland is sindsdien van Roermond uit gevoerd.
28 Juni 1581 droeg de Landdag aan het Hof op, een nieuwe instructie voor de gereorganiseerde Rekenkamer op te stellen. Tegelijk werd besloten, dat voortaan ieder der drie kwartieren beurtelings een nominatie aan den Landdag zou doen voor de vervulling van de drie rekenmeestersplaatsen. Dat besluit werd zoo uitgelegd, dat men de zittende leden tot hun dood liet zitten. Afgezien daarvan en van het feit, dat van 1585-1593 een der plaatsen onbezet is gebleven, zijn de drie rekenmeesters uit de drie kwartieren benoemd tot 1795. De voorzitter heette "eerste rekenmeester", terwijl één auditeur en één secretaris (aanvankelijk klerk genoemd) aan het college bleven toegevoegd. Het college werd veelal genoemd "Die van de Rekeninge".
Wat de in 1581 van het Hof verlangde instructie betreft, hiervan is eerst in 1603 een concept tot stand gekomen. Destijds en gedurende den verderen tijd van het bestaan der Rekenkamer kostte het zooveel moeite, op dit punt overeenstemming te bereiken, dat men zich tot 1795 heeft moeten behelpen met het concept van 1603, dat in vele opzichten aansloot bij de instructie van 1559.
Bij besluit van den Landdag van 11 Februari 1795 werd de Rekenkamer, welker leden de provincie hadden verlaten, opgeheven en werden hare werkzaamheden voorloopig opgedragen aan het Provintiaal Collegie van algemeen welzijn en finantien.
De taak van de Rekenkamer bestond in het algemeen in het afhooren van rekeningen en het verrichten van andere daden van beheer (verpachtingen, inspecties, vaststelling van toltarieven, benoeming van beambten, enz.) met betrekking tot de landsheerlijke domeinen, Om ons van die werkzaamheid een voorstelling te kunnen maken, moeten we nagaan, waarin die domeinen bestonden en welk rechtskarakter er aan behoort te worden toegekend *  .
De domeinen vormden het vermogen van den landsheer, waarvan de bestanddeelen volgens onze begrippen ten deele van publiekrechtelijken, ten deele van privaatrechtelijken aard waren, doch die in den tijd, waarin de Staten ze zich toeëigenden, alle zekere geldswaarde hadden en voornamelijk uit dat oogpunt werden beschouwd. De hertogen hadden met de inkomsten uit die domeinen in de eerste plaats hun particuliere uitgaven bestreden, doch het in bezit nemen er van door de Staten had natuurlijk tengevolge, dat sindsdien alleen publieke belangen er mede werden gediend. Toch bleven de Staten daarbij in de historische lijn, want de eerste en voornaamste betaling uit de domeinen was die van de tractementen en andere onkosten ten behoeve van den Stadhouder en het Hof, van wie de eerstgenoemde de vertegenwoordiger was van den landsheer, terwijl het Hof als opvolger van de voormalige hertogelijke raden moet worden beschouwd. In dit verband verdient bijzondere opmerking, dat de opbrengst der domeinen nimmer gebruikt is voor de voldoening van generaliteitslasten en de bekostiging van de staatshuishouding in de autonome kwartieren. De domeinen waren en bleven een afzonderlijk vermogen ten dienste van enkele bepaalde belangen der drie kwartieren gemeenschappelijk.
Daarnaast verdient opmerking, dat sommige landsheerlijke rechten langzamerhand het karakter van rendabele vermogensbestanddeelen hebben verloren en overheidsfuncties zijn geworden, die vrij groote kosten ten laste van de andere domeinen medebrachten. Dit geldt in de eerste plaats van het recht van jurisdictie. Tot aan de revolutie werd dit recht in uitgestrekte deelen der provincie nog door anderen dan de landsoverheid uitgeoefend en dientengevolge waren niet alle officieren van justitie aan de Rekenkamer rekenplichtig. Ook bij het recht van de munt, het recht op de groote stroomen is ten tijde van het beheer door de Rekenkamer de ontwikkeling van een particulier domein van den vorst tot een overheidsfunctie onmiskenbaar.
Tot de domeinen behoorden echter ook vele landerijen, tienden, erfpachten en andere objecten, die nooit een publiekrechtelijk karakter gehad hebben. Intusschen komt het mij niet noodzakelijk voor, de domeinen op te sommen in de inleiding tot een inventaris, die in dit opzicht voor zichzelf spreekt. Ik wil er slechts op wijzen, dat de Rekenkamer tot taak had, een complex van bezittingen te beheeren, waarvan zoowel de bestemming, die aan de opbrengst werd gegeven, als het publiekrechtelijk karakter, dat aan een gedeelte er van moet worden toegekend, tengevolge gehad hebben, dat dit college een voornamere plaats in den lande heeft ingenomen dan die van een administrateur van eenige publieke eigendommen. Dit komt ook hierin uit, dat de rekenmeesters toegang hadden tot de vergaderingen van het Hof en dat zij verplicht waren, in bepaalde zaken met dat hoogste centrale regeeringscollege in de provincie samen te werken of overleg te plegen.
Het Hof gaf in naam van de Staten commissie aan de rentmeesters, officieren van justitie en andere comptabele ambtenaren. Die Staten zelven bemoeiden zich ook in sommige gevallen met het werk van hun rekenmeesters. De Rekenkamer was n.l. verplicht, verschillende rechtshandelingen aan de beslissing van den Landdag te onderwerpen. De aankoop van domeinen geschiedde ten name van de Staten van Gelderland. Sinds 1690 werden de rekeningen van den landrentmeester-generaal, in wiens kas de batige overschotten van die der andere comptabele ambtenaren werden gestort, afgehoord ten overstaan van een commissie uit de Staten.
Naast het beheer der landsvorstelijke domeinen zijn aan de Rekenkamer in de 16de eeuw tijdelijk administraties van bijzonderen aard opgedragen geweest, waaromtrent men aanteekeningen zal vinden bij de beschrijving der desbetreffende stukken in de vierde afdeeling van den inventaris. In verband daarmede zij gewezen op het feit, dat de geseculariseerde geestelijke goederen niet door de Landschap, maar door kwartieren en steden in bezit waren genomen, dat zij dus vóór de Revolutie niet met de landsheerlijke domeinen vereenigd zijn geweest en dat het beheer er van niet tot de gewone taak van de Rekenkamer behoorde. De bederekeningen, die vóór de afzwering van den landsheer op ongelijke tijdstippen zijn afgelegd door de landrentmeesters-generaal, zijn niet in de afdeeling der stukken van bijzonderen aard ingedeeld, omdat de beden en schattingen het karakter droegen van een aanvulling van de inkomsten uit de domeinen en als zoodanig van ouds door de domeinbeheerders geïnd en verantwoord waren.
Vermindering heeft de werkzaamheid van het college ondergaan door de afscheiding van het Overkwartier. Alleen de domeinen in de stad en het ambt Gelre, tot 1572 de douairie der hertogin-weduwe ELISABET VAN brunswijk, zijn tot aan het bestand door de Rekenkamer beheerd. Overigens heeft deze na 1578 niet veel meer te doen gehad in dit kwartier, waar vanouds een belangrijk deel van de domeinen der Geldersche hertogen gelegen was.
Ook de westelijke helft van het kwartier van Nijmegen lag gedurende een aantal jaren buiten haar bereik, sinds de verovering van Zalt-Bommel door de Geuzen in 1572. Evenzoo afwisselende gedeelten van het Zutphensche kwartier, waar eerst de verovering van Grol door FREDERIK HENDRIK in 1627 voor goed een einde gemaakt heeft aan de Spaansche macht, die zich van Roermond uit zooveel mogelijk ook met de domeinen in die streken had bemoeid.
In de tweede helft der 17de eeuw zijn door de Staten maatregelen genomen tot "redres" der domeinen, die hierop neerkwamen, dat een aantal landerijen, tienden en andere bezittingen verkocht werden en met de opbrengst verpande domeinen werden gelost. Daarna zijn de domeinen herhaaldelijk, tot aan het einde van het bestaan der Rekenkamer, door lossing en vooral door aankoopen, in den regel met behulp van de gewone jaarlijksche inkomsten, aanzienlijk uitgebreid.
Een ambtenaar, die de Rekenkamer als adviseur ter zijde stond, was de momber, de advocaat van den lande. In processen over domeinzaken vertegenwoordigde deze de Landschap. Het ambt is ingesteld met de benoeming van JOOST CRANEVELT in 1547. Over de door de mombers nagelaten papieren zal elders in deze inleiding worden gehandeld, terwijl aan het hoofd van bijlage A bij den inventaris eenige bijzonderheden omtrent dit ambt zijn vermeld.
3. De geschiedenis van het archief van 1543 tot 1915
4. De ordening en beschrijving van het archief
5. Afkortingen
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1543-1795
Auteur:
A.H. Martens van Sevenhoven
Licentie:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS