Menu

De chat is beschikbaar van maandag tot en met vrijdag tussen 13:00 en 16:00 uur. Is de chat offline? Stel uw vraag via ons contactformulier.

Uw zoekacties: ORA Zevenaar en De Lijmers
x0214 ORA Zevenaar en De Lijmers

Archieftoegang

Hier vindt u de inventaris van een archieftoegang. Hierin staat beschreven welke stukken zich in dit archief bevinden. 
 
Het nummer dat voor de titel van het archief staat is het toegangsnummer van dit archief. Het nummer dat voor de beschrijving van een stuk staat is het inventarisnummer. 
  • Bij ‘Kenmerken’ vindt u algemene informatie over dit archief
  • Bij ‘Inleiding’ vindt u achtergrondinformatie over dit archief, denk hierbij aan de openbaarheid, de archiefvormer en de oorsprong en opbouw van het archief.
  • Bij ‘Inventaris’ vindt u de lijst met beschrijvingen van stukken die zich in dit archief bevinden. 

Hoe zoekt u door een archieftoegang?

Klik op de zoekbalk links bovenin en voer uw zoekterm(en) in. Klik vervolgens op ‘zoek’.
Onder ‘Gevonden archiefstukken’ verschijnen de beschrijvingen van stukken uit dit archief waar deze term in voorkomt. Om te zien in welk deel van het archief deze stukken zitten klikt u op ‘Inventaris’. Dor telkens te klikken op het woord/de woorden die vetgedrukt worden weergegeven komt u uit bij de (met geel gemarkeerde) zoektermen. 

Welke archieftoegangen heeft het Gelders Archief?

Bekijk het Archievenoverzicht  om te zien welke archieven zich in het Gelders Archief bevinden. Deze zijn niet allemaal geïnventariseerd en beschikbaar voor inzage. Als er geen inventarislijst beschikbaar is, is dit archief helaas nog niet in te zien. 
 

 

0214 ORA Zevenaar en De Lijmers
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
1. Openbaarheid en citeren
2. De Kleefsche Enclaves
sluiten
0214 ORA Zevenaar en De Lijmers
Inleiding
2. De Kleefsche Enclaves
De archieven, welke in dit werk beschreven worden, zijn die der rechterlijke colleges in de gebiedsdelen, welke, na in de loop der eeuwen afwisselend Gelders, Kleefs en Pruisisch territoir te zijn geweest, in het jaar 1816 definitief Gelders zijn geworden, na te zijn ingelijfd bij het Koninkrijk der Nederlanden. Meestal worden deze gebieden aangeduid onder de naam van "Kleefse Enclaves", omdat zij alle oorspronkelijk, althans van de aanvang der 15e eeuw af, tot het graafschap, later hertogdom Kleef hebben behoord.
Na de dood van de laatste hertog van Kleef, Gulik en Berg, Johan Wilhelm, in 1609, ontstonden over zijn nalatenschap grote verwikkelingen. De partijen, die in deze strijd over de zogenaamde Gulik-Kleefse nalatenschap tegenover elkaar stonden, waren de keurvorst Johan Sigismund van Brandenburg en de paltsgraaf Johan Wilhelm van Neuburg. Zij kwamen 31 Mei 1609 overeen om een gemeenschappelijke regering in te stellen over de hertogdommen Kleef, Gulik en Berg, het graafschap Mark, de heerlijkheid Ravestein en de Vlaamse lenen Breskeszand en Winnendaal.
Eerst in het jaar 1666 kwam te Kleef een verdrag tot stand, waarbij die goederen verdeeld werden. De keurvorst van Brandenburg kreeg toen Kleef, Mark en Ravensberg, terwijl de paltsgraaf van Neuburg Gulik, Berg, Breskeszand en Winnendaal ontving. In 1670 kwam Ravestein eveneens voorgoed aan Palts- Neuburg *  .
Tot het Kleefse deel der nalatenschap nu behoorden ondermeer Zevenaar en de Lijmers, Huissen, Hulhuizen, Wehl en Lobith, welke alle in het begin der 19e eeuw Nederlands gebied zijn geworden. De archieven der gerichten van deze gebiedsdelen zijn in deze inventaris beschreven. Zij hangen niet samen met de rechterlijke archieven der oud-Gelderse gebieden en een beschrijving in een afzonderlijke inventaris scheen daarom gewettigd. Over elk dier gebieden volgen hier enkele geschiedkundige mededelingen; daarbij zal gelegenheid zijn te wijzen op enige gebiedsdelen, welke, hetzij eveneens in de aanvang der l9e eeuw, hetzij reeds eerder van Kleef zijn afgescheiden en tot het Gelders territoir zijn komen te behoren.
De Lijmers omvatte oorspronkelijk een veel groter gebied, dan later onder die benaming werd begrepen. In een oorkonde van het jaar 1348 *  duidde graaf Johan van Kleef aan, dat in het land van de Lijmers gelegen waren Zevenaar, Wehl, Duiven, Groessen, Didam en Beek. Ook Westervoort heeft er aanvankelijk toe behoord; dit is reeds vroeg met Didam aan de heer van de Bergh gekomen. Aan dezelfde heer werd ook Beek in het jaar 1447 verpand.
Sindsdien is er in de grenzen van de Lijmers nagenoeg geen wijziging gekomen; het blijkt dan ook, dat in de 18e eeuw tot het rentambt van die naam behoorden het gebied der tegenwoordige gemeenten Zevenaar en Duiven, alsmede de heerlijkheid Grondstein, welke thans op Pruisisch territoir gelegen is. Tot het gebied van het richterambt Lijmers behoorde de heerlijkheid Grondstein echter niet meer sinds 1648, in welk jaar de toenmalige heer, J. S. baron van Wylich van Lottum, van de Brandenburgse regering eigen jurisdictie in zijn gebied had verkregen. Sedert die tijd komen de grenzen van het richterambt Zevenaar en de Lijmers overeen met de tegenwoordige grens der gemeente Zevenaar, gedeeltelijk tevens rijksgrens, en met die der gemeente Duiven.
De aandacht dient hier nog gevestigd te worden op de Steenwaard, veelal het Erfkamerlingschap genoemd, in 1792 door de Staten van Gelderland aangekocht, bij grenstractaat van 7 October 1816 definitief aan Gelderland toegewezen en thans tot de gemeente Herwen & Aerdt behorende. Deze waard heeft lange tijd een tussen Gelderland en Kleef betwist gebied gevormd. Uit een oorkonde van het jaar 1506 *  valt te zien, dat de Steenwaard toen behoorde onder de jurisdictie van het gericht van Zevenaar en de Lijmers; omstreeks het jaar 1612 was dit nog het geval blijkens een toen vervaardigde lijst van alle gerichten in het hertogdom Kleef *  .
In latere jaren was aan de heerlijkheid Steenwaard eigen jurisdictie verbonden, hetgeen hieruit blijkt, dat in de 18e eeuw de heren van Steenwaard hun eigen richters benoemden *  .
De Lijmers, waarin Zevenaar gelegen is, dat in 1487 van hertog Johan II van Kleef stadsrechten ontving, was reeds voor 1355 aan Kleef verpand is *  . Na in latere jaren wederom te zijn ingelost, werd het gebied in 1406 opnieuw, thans door hertog REINALD IV, aan de graaf van Kleef in pand gegeven is *  . Sindsdien is het Kleefs gebleven, hoewel er doorlopend geschil over is geweest tussen Gelre en Kleef.
Onderhandelingen, in 1657-1670 met de keurvorst van Brandenburg als hertog van Kleef gevoerd, om de Lijmers voor Gelderland terug te winnen, mislukten.
De gebeurtenissen van 1795 en volgende jaren brachten voor de Kleefse enclaves belangrijke veranderingen mede. Bij geheim traktaat van 24 Mei 1802 *  , tussen Pruisen en Frankrijk gesloten, stemde de koning van Pruisen toe in de afstand van de enclaves en bij conventie van 14 November van hetzelfde jaar *  stond hij inderdaad Zevenaar, Huissen en Malburgen aan de Bataafse Republiek af.
Huissen en Malburgen waren vroeger ook al afgestaan en wel bij transactie van 5 Januari 1800, door Schimmelpenninck en Talleyrand getekend *  , waarbij was bepaald, dat Frankrijk aan de Bataafse Republiek zou overdragen alle goederen, door vreemde vorsten op Bataafs grondgebied bezeten. Voor de Pruisische enclaves op Gelders gebied, gelegen ten Zuiden van de Rijn, welke door de Fransen bezet waren, zou de uitvoering dezer bepaling geen moeilijkheden kunnen opleveren. Anders was het echter gesteld met Zevenaar en de Lijmers, welke, als liggende op de rechteroever van de Rijn, niet begrepen waren onder de bepalingen van het vredestraktaat van Bazel van April 1795 *  , gesloten tussen de Franse Republiek en Pruisen, waarbij bepaald was, dat de Franse troepen dat d
eel van het gebied van de Pruisische koning, dat op de linkeroever van de Rijn gelegen was, zouden blijven bezetten tot aan de algemene vrede.
Bij de reeds genoemde transactie van 5 Januari 1800 echter had de Franse Republiek in een geheim artikel beloofd haar best te zullen doen, dat Pruisen ook het district Zevenaar zou afstaan.
Ondanks al deze traktaten is er van de overgang der enclaves aan Gelderland niets gekomen. Nadat bij traktaat van 16 Februari 1806 *  Pruisen ook nog het op de rechter Rijnoever gelegen deel van Kleef aan Frankrijk had afgestaan, werden alle enclaves ingedeeld bij het in dat jaar gevormde hertogdom, later groothertogdom Berg, waarvan MURAT, de zwager van keizer Napoleon, op 15 Maart 1806 tot hertog was benoemd en als zodanig op de daaropvolgenden 21e Maart was geproclameerd *  .
Spoedig kwam in deze toestand weer verandering. Als uitvloeisel van de vrede van Tilsit werd bij het traktaat van Fontainebleau van 11 November 1807 *  bepaald, dat Zevenaar, Huissen en Malburgen aan het Koninkrijk Holland zouden worden toebedeeld. Na de onderhandelingen over deze afstand, te Wezel gevoerd, bepaalde koning Lodewijk op 8 April 1808, dat deze gebieden tot het departement Gelderland zouden behoren *  . De inbezitneming vond plaats op 21 April van hetzelfde jaar *  .
Bij Keizerlijk Decreet van 9 Juli 1810 *  werd geheel Nederland, voor zoverre het er niet reeds toe behoorde, ingelijfd bij Frankrijk; Zevenaar en de Lijmers vielen hier ook onder.
Na de verdrijving der Fransen maakte de koning van Pruisen zich weer meester van de vroeger door hem bezeten Kleefse enclaves. Bij kabinetsorder van 19 November 1813 *  bepaalde hij, dat er een gouvernement te Munster zou worden opgericht ten behoeve van de vroeger Pruisische landen tussen de Wezer en de Rijn. Hiertoe behoorde dus ook Zevenaar met de Lijmers, waar een Pruisisch stad- en landgericht, voorafgegaan door een provisorisch vredesgericht, met de rechtspraak belast werd.
Na het bekend worden van de inhoud van het vredesverdrag van Parijs van 30 Mei 1814 *  , waarbij o.m. bepaald werd, dat het gebied van Holland zou worden vergroot en dat daarover binnen twee maanden op een congres te Wenen zou worden onderhandeld, haastte de toenmalige gouverneur van Gelderland zich, bij schrijven van 19 Juni van hetzelfde jaar, de aandacht van de Nederlandse regering te vestigen op de voormalige Kleefse enclaves, waarbij hij in overweging gaf de aangelegenheid van eventuele afstand op het congres te Wenen ter sprake te brengen *  . Dit geschiedde, met het gevolg, dat bij de acte van het Wener congres van 9 Juni 1815 Zevenaar met de Lijmers, Huissen, Malburgen en de heerlijkheid Wehl bij Nederland werden ingelijfd.
Van te voren was bij traktaat van 31 Mei 1815 te Wenen het Koninkrijk der Nederlanden in het leven geroepen en was in art. 2 bepaald, dat bovengenoemde gebieden deel zouden uitmaken van dit Koninkrijk *  . Over de afstand werd 25 Mei 1816 nog een nadere conventie gesloten *  waarna de 1e Juni van hetzelfde jaar de overgifte plaats vond. Bij Koninklijk besluit van 17 juni 1816 *  werd vervolgens bepaald, tot welke arrondissementen en kantons de afgestane gebieden zouden komen te behoren. De stad Zevenaar en het ambt Lijmers werden met de Kleefse Waard en de gemeente Westervoort ingedeeld bij het arrondissement Arnhem, terwijl het kanton Zevenaar hersteld werd zoals het vroeger gedurende de inlijving bij Frankrijk reeds als vredesgericht bestaan had. Bij hetzelfde Koninklijk besluit werd de overgifte van de archieven door de Pruisische autoriteiten aan de betrokken Ned
erlandse rechtbanken geregeld.
Van Huissenis bekend, dat het reeds in het begin der 14e eeuw Kleefs was, hetgeen o.a. blijkt uit een acte van het jaar 1336 *  , waarin de graaf van Kleef tegenover de keizer spreekt van Huissen als van zijn stad. Huissen, stad en heerlijkheid, werden bij de verdragen van 25 en 27 November 1368 *  door graaf Adolf van Kleef aan hertog Eduard van Gelre, wiens zuster Mechteld met Adolf gehuwd was, afgestaan, op voorwaarde, dat ze bij ontstentenis van mannelijke nakomelingen weder aan Kleef zouden terugkeren. Door het kinderloos overlijden van Eduard, die zijn zuster Mechteld met het vruchtgebruik had begiftigd, kwam Huissen in 1371 wederom aan Kleef terug en het is sindsdien tot de aanvang der 19e eeuw daartoe blijven behoren.
Behalve over stad en ambt Huissen strekte het bezit van de graaf, later hertog van Kleef zich ook uit over het noordwestelijk van de stad gelegen MaIburgen. Oorspronkelijk had het kapittel van St. Marie te Utrecht daar een hof. In de 13e eeuw was die hof verpacht aan leden van de geslachten van Smithuizen en van de Lek *  . In de oorkonden, waarin van deze verpachtingen sprake is, wordt steeds ook de tol te Smithuizen verpacht, welke tegelijk met Malburgen van de van Smithuizen's aan de van de Leken was overgegaan. Aangezien de graaf van Kleef deze tol tenslotte voor zich verworven heeft, is het niet onmogelijk, dat bij die gelegenheid ook Malburgen aan Kleef is gekomen *  . In ieder geval moet het in het jaar 1348 in het bezit van de graaf van Kleef zijn geweest, die toen een douairie voor zijn gemalin o.a. op Malburgen
verzekerde *  .
De grenzen van het Kleefse rentambt Huissen met Malburgen komen overeen met de tegenwoordige grenzen der gemeente Huissen. Enige stukken land zijn aan de oostzijde van de Rijn gelegen, waarschijnlijk tengevolge van een veranderde loop van de rivier. Het gebied onderging geen wijziging, toen in het jaar 1773 door Gelderland de oostelijke helft van de waard de Pley van Kleef aangekocht werd om er een nieuwe IJselmond door te graven *  . Alleen de Kleefse Waard, ook een deel van het voormalige Kleefse ambt Huissen en Malburgen, dat bij het graven van de nieuwe IJselmond daarvan was afgesneden, behoort tegenwoordig tot de gemeente Arnhem.
Ingevolge art. 5 van het vredestraktaat van Bazel van 5 April 1795 *  tussen de Franse Republiek en Pruisen, hielden de Fransen voorlopig, nl. tot de later te sluiten algemene vrede, Pruisen links van de Rijn bezet. Huissen en Malburgen vielen onder deze bepaling; daar bleef de toestand voorlopig onveranderd, tot op 5 Januari 1800 *  een transactie gesloten werd tussen de Bataafse Republiek en Frankrijk. Bij dit voorlopig verdrag, dat bij de algemene vrede bekrachtiging behoefde, stond Frankrijk al de op Bataafs territoir in bezit genomen goederen en gepretendeerde rechten tegen fr.600.000 af *  . Huissen en Malburgen, welke o.m. onder deze transactie begrepen waren, zijn echter nimmer onder beheer geweest der "Commissie van administratie over alle de goede
ren en domeinen door de Fransen aan de Bataafse Republiek bij transactie van den 5e Januari 1800 afgestaan, residerende te Breda".
Bij geheim traktaat van 24 Mei 1802 *  , tussen Pruisen en Frankrijk gesloten, stemde de koning in de afstand der enclaves toe en bij conventie van 14 November van hetzelfde jaar *  werden Huissen en Malburgen aan de Bataafse Republiek afgestaan. Dit traktaat is echter niet uitgevoerd, in tegenstelling met dat van 16 Februari 1806 *  , waarbij Huissen en Malburgen werden gevoegd bij het hertogdom Berg, om ten slotte, als uitvloeisel van de vrede van Tilsit, ingedeeld te worden bij het Koninkrijk Holland. De overdracht had, tegelijk met die van Zevenaar en de Lijmers, op 21 April 1808 plaats *  . Huissen en Malburgen maakten van toen af deel uit van het departement Gelderland, totdat in 1811 de inlijving bij Frankrijk volgde. Na de verdrijving der Fransen is de geschiedenis van deze enclaves de
zelfde als die van Zevenaar en de Lijmers *  . Na eerst enige tijd Pruisisch te zijn geweest, vond eindelijk op 1 Juni 1816 de overgifte van Huissen en Malburgen plaats. Het Koninklijk besluit van 17 Juni 1816 *  bepaalde, dat stad en ambt Huissen en het ambt Malburgen voortaan zouden behoren tot het kanton Bemmel, arrondissement Tiel. Door de rechtbank van Tiel zouden de archiefstukken moeten worden overgenomen.
HuIhuizen heeft over het algemeen dezelfde geschiedenis gehad als Huissen; de geringe oppervlakte van deze enclave is echter oorzaak geweest, dat zij wel eens in de traktaten vergeten is. Het blijkt, dat Hulhuizen in 1253 in het bezit van de graaf van Kleef was; in dat jaar droeg graaf Dirk Vl aan een door hem gesticht klooster te Wezel de kapel en de tienden te Hulhuizen op *  . Het kan nadien steeds gerekend worden onder de souvereiniteit van Kleef te hebben behoord, ondanks de aanspraken, welke Gelderland er voortdurend, in het bijzonder in de 17e eeuw, op heeft laten gelden. Een korte tijd is de heerlijkheid Gelders geweest; zij werd nl. in 1527 aan hertog Karel van Gelre in pand gegeven, doch deze pandschap was in het jaar 1539 weder ingelost *  .
Op 4 Januari 1809 werd bepaald, dat Hulhuizen, tegelijk met Huissen en Malburgen, zou worden toegevoegd aan het kwartier van Nijmegen *  . Voordien was het in de traktaten niet genoemd, hoewel het vaststaat, dat het, gelijk de andere enclaves, tot het groothertogdom Berg heeft behoord. Alleen was na de bezetting van het gebied door de Fransen bij besluit van 14 November 1794 bepaald, dat Hulhuizen zou behoren tot het gebied, waarvan het bestuur gevestigd was te Geldern *  .
Voorts werd het met name genoemd in een decreet van de koning van Holland van 27 April 1808, bepalende, dat de steden en dorpen van "Huessen, Sevenaar, Hulhuyzen, Lijmers en Maelburgen en verdere plaatsen", tengevolge van het traktaat van 11 November 1807 ingelijfd, onderworpen zouden zijn aan alle Hollandse belastingen. Vanzelfsprekend behoorde Hulhuizen ook onder het gebied, dat in 1810 bij Frankrijk werd ingelijfd. Sindsdien maakte het deel uit van de gemeente Gent en behoorde als zodanig tot het kanton Bemmel, arrondissement Tiel.
Onder de aan Nederland overgegeven Pruisische gebieden, waarover de 25e Mei 1816 te Zevenaar een nadere conventie met Pruisen was gesloten *  , werd Hulhuizen niet gerekend, aangezien het in het Wener traktaat van 31 Mei 1815 *  niet uitdrukkelijk was vermeld en ook nimmer deel had uitgemaakt van een der ambten Lijmers, Huissen of Malburgen. Er konden toen, ondanks het protest van de Nederlandse commissaris, geen termen gevonden worden om ook Hulhuizen aan Nederland over te dragen. Toch had het reeds sedert 17 December 1813 administratief onder het kanton Zevenaar behoord *  . Eerst bij het grenstractaat van 7 October 1816 *  werd Hulhuizen bij het Nederlands grondgebied ingelijfd. De buurschap van die naam maakt thans deel uit van de gemeente Gent en behoort tot het kanto
n Elst (in 1816 Bemmel), arrondissement Tiel. Het gebied der voormalige heerlijkheid is buitendijks gelegen en is sedert de aanvang der 19e eeuw door de aandrang van het Waalwater in omvang verminderd.
WehI heeft tot 1647 deel uitgemaakt van het ambt Lijmers; er kan hier derhalve voor die tijd volstaan worden met naar de geschiedenis van dat ambt te verwijzen. In het jaar 1647 kwam aan de bestaande toestand een einde, doordat de toenmalige hertog van Kleef, hoewel onder protest van de landstenden, ridderschap en steden, het gebied van Wehl verpandde aan de graaf van de Bergh. Sindsdien is Wehl een afzonderlijke heerlijkheid geweest, waarvan de verdere geschiedenis te vinden is in de inleidende noot bij het archief van Wehl. Slechts zij hier vermeld, dat de heerlijkheid tot 1806 onder de souvereiniteit van Pruisen is gebleven.
Bij het meergenoemde traktaat van 15 Februari 1806 *  werd ook Wehl bij het hertogdom Berg ingedeeld. Het heeft echter nimmer deel uitgemaakt van het Koninkrijk Holland. In het traktaat van Fontainebleau van 11 November 1807 *  werd over Wehl niet gesproken; evenmin bij de inbezitneming der voormalige Kleefse enclaves op 21 April 1808 *  . Bovendien wijzen de archiefstukken uit, dat Wehl inderdaad ook na 1808 tot het groothertogdom Berg heeft behoord.
Nadat eerst op 9 Juli 1810 Holland bij het Franse keizerrijk was ingelijfd, volgde op 26 December van hetzelfde jaar ook het tussen Berkel en Lippe gelegen deel van het groothertogdom Berg dat lot; het werd toen ingedeeld bij het departement van de Boven-lJsel, zodat sindsdien ook Wehl zich onder Franse souvereiniteit bevond.
Na de verdrijving der Fransen nam de Pruisische regering wederom bezit van het gebied; Wehl bleef daardoor, tot aan de afstand aan Nederland in 1816, ingedeeld bij het gericht van Emmerik en Lobith. Bij de acte van het Wener congres van 9 Juni 1815 *  werd o.m. Wehl bij Nederland ingelijfd. De overdracht had 1 Juni 1816 plaats en het meergemelde Koninklijk besluit van 17 Juni van dat jaar *  bepaalde, dat de heerlijkheid Wehl voortaan zou behoren tot het kanton 's Heerenberg, arrondissement Zutphen. De archiefstukken zouden door de rechtbank te Zutphen moeten worden overgenomen.
Het schijnt hier de plaats, er op te wijzen, dat het kerspel Angerlo, gelegen aan de oostgrens van het gebied van de Lijmers in engere zin, een tijd lang Kleefs is geweest. Op 7 Augustus 1473 *  gaf hertog Karel van Bourgondië aan hertog Johan van Kleef de jurisdictie in het kerspel Angerlo en de voogdij over het sticht Elten. Angerlo heeft enige tijd met Wehl samen één richterambt gevormd, hetgeen blijkt uit een acte van het jaar 1482, waarbij de hertog van Kleef aan de toenmalige richter van de Lijmers het richterambt in de kerspelen Wehl en Angerlo opdroeg, nadat ze ingelost waren van zekeren Lambert Snaye * 
In latere jaren is er geschil geweest of het kerspel Angerlo tot het graafschap Zutphen, dan wel tot het hertogdom Kleef behoorde. Uit een informatie, door de Rekenkamer ingesteld in het jaar 1544 *  , blijkt, dat reeds in 1484 door Kleef geprotesteerd was tegen de uitoefening der rechtspraak in het kerspel Angerlo door de richter van Doesburg. Bij dezelfde informatie verklaarde de richter in het richterambt van Doesburg, dat blijkens de gerichtsprotocollen de inwoners van het kerspel Angerlo steeds onder de richter van Doesburg hadden gestaan. Ook zouden zij schatting aan Gelderland hebben betaald.
De Tegenwoordige Staat van Gelderland (blz.393) vermeldt, dat Angerlo ten tijde van de Oostenrijkse regering wederom onder het graafschap Zutphen werd gebracht; bovengenoemde informatie zal hiermede waarschijnlijk in verband staan. In ieder geval was het in het jaar 1513 dubieus, waaronder Angerlo toen behoorde. In de aanstelling van Wolter van Wese tot richter in de Lijmers op 17 Augustus van dat jaar *  zegt de hertog van Kleef, dat hij hoopt, dat binnenkort het gericht van Angerlo met de daartoe behorende buurschappen, sedert de schenking van Karel van Bourgondie aan Kleef toekomende, weder te zijner begeving zal staan.
Tot een der voornaamste schenkingen, waarmede Karel van Bourgondie de diensten van hertog Johan van Kleef bij zijn optreden tegen Gelre in het jaar 1473 beloonde, moet het huis en de tol te Lobith gerekend worden *  . Bij deze schenking behield Karel zich echter de souvereiniteit van Gelre voor. In het jaar 1498 drong de hertog van Kleef er bij aartshertog MAXIMILIAAN op aan, dat deze beperking zou worden weg genomen, doch hij bereikte slechts, dat hem en zijn zoon gedurende hun beider leven het bezit der souvereiniteitsrechten werd afgestaan. De beperkende bepaling, door hertog Karel van Bourgondie gemaakt, is de bron van langdurige geschillen tussen Gelderland en Kleef geweest *  . Laatstgenoemd hertogdom is echter steeds souverein gebleven over het slot en de in de omgeving daarvan liggende landerijen, hetgeen o.a. tot uiting komt door de benoeming van ambtslieden
aldaar en door het instellen van een eigen gericht in het jaar 1588 *  door hertog Willem van Kleef. Dit afzonderlijke gericht bleef tot het jaar 1753 in werking. Toen werd Lobith verenigd met Emmerik, waartoe het sindsdien, ook na 1813, is blijven behoren.
Lobith werd in de verschillende verdragen in de aanvang der 19e eeuw niet genoemd. Bij het grenstractaat van 7 October 1816 *  werd in art. 3 bepaald, dat Lobith voortaan deel zou uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden.
In hetzelfde artikel van dit traktaat worden nog enkele andere, aan Lobith grenzende gebieden genoemd, welke ook bij Nederland werden ingelijfd. In de eerste plaats is er sprake van de Bylandse Waard en de Kijfwaard, welke ten Westen van Lobith aan de Rijn gelegen zijn. De Bylandse Waard is in het bezit der heren van de Bergh geweest, die er ook rechtspraak zullen hebben uitgeoefend. Echter zal die rechtspraak aldaar praktisch van weinig belang zijn geweest, aangezien het gebied door voortdurende overstromingen vrijwel onbewoonbaar is geweest. Hetzelfde geldt voor de iets westelijk van de Bylandse Waard gelegen Kijfwaard. Beide waarden zijn, gelijk hierboven is vermeld, bij het grenstractaat van 7 October 1816 Nederlands geworden.
Dit was ook het geval met het ten Oosten van Lobith gelegen gebied van Boven- en Beneden-Spijk. Blijkens een tabel der gerichten in het vorstendom Kleef, opgemaakt door de Kleefse secretaris Johann Turck *  , behoorde Spijk omstreeks 1612 tot het richterambt Emmerik; het is daartoe blijven behoren totdat het in 1816 aan Nederland werd afgestaan. Een in dat gebied liggende enclave van het gebied van de abdij Elten is in 1816 tevens aan Nederland overgedragen.
Hoewel geen enclaves in de ware zin van het woord, aangezien zij aan één zijde aan Kleef, later Pruisen, grensden, dienen Kekerdom en Leut, gelegen aan de linkeroever van de Waal, hier vermeld te worden, aangezien ook deze plaatsen bij het meergemelde grenstractaat van 7 October 1816 aan Nederland zijn afgestaan. Zij maakten deel uit van de Duffel, welke in de 14e eeuw een eigen, tot Gelre behorend, ambt vormde, alwaar de burggraaf van Nijmegen, die tevens richter in die stad was, de rechtspraak uitoefende. De verbinding van het Nijmeger burggraafambt met het richterambt van de Duffel schijnt in 1349 te zijn opgeheven *  .
In de loop der 15e eeuw is de Duffel enige malen door de hertog van Gelre verpand; zo in 1445 aan de hertog van Kleef *  . Later gaf hertog Karel van Bourgondië de Duffel in erfelijk bezit aan de hertog van Kleef; dit geschiedde op 24 Juli 1473 *  , waarbij hij zich echter de souvereiniteit over het gebied voorbehield. Evenals bij Lobith gaf deze beperking aanleiding tot langdurige geschillen tussen Gelderland en Kleef *  . Hoewel Gelderland nog in 1650 aanspraak schijnt te hebben gemaakt op de Duffel, is deze nà 1473 steeds Kleefs territoir geweest. Wel schijnt Gelderland zich, ondanks het verzet van Kleef, de souvereiniteit over de heerlijkheden Millingen en Zeeland te hebben toegeëigend *  . Deze heerlijkheden, welke lange tijd in het bezit der heren van de Bergh zijn geweest, hebben eigen gerichten gehad, welke gerekend worden te behoren onder Overbetuwe; hun archieven zijn nog gedeeltelijk aanwezig.
Kekerdom en Leut zijn dus steeds Kleefs geweest totdat het gebied in 1794 door de Fransen werd bezet. De beide plaatsen werden toen ingedeeld in het gebied, waarvan het bestuur zetelde te Geldern *  . Bij besluit van 8-16 Maart 1797 werd door de Franse generaal Hoche de republiek Cis-Rhénane opgericht en werd bepaald, dat vanaf de daarop volgende 21 Maart in het bezette gebied, links van de Rijn gelegen *  , voor zoverre het de landen van de koning van Pruisen betrof (dus o.a. het hertogdom Kleef), de Franse administratie zou worden opgeheven. Na de dood van Hoche verdeelde zijn opvolger Rüdler bij besluit van 23 januari 1798 de landen, tot bovengenoemde republiek behorende, in vier departementen en voegde o.a. Kekerdom en Leut bij het departement van de Roer onder het arrondissement Kleef; waarschijnlijk kwamen d
ie plaatsen bij een later besluit te behoren tot het kanton Cranenburg *  .
Het traktaat van 16 Maart 1810 *  verklaarde al het Nederlands gebied ten Zuiden van de Waal voortaan als ingelijfd bij Frankrijk, zodat derhalve Kekerdom en Leut reeds vanaf die datum tot Frans gebied kwamen te behoren. Nadat de koning van Pruisen zich in 1813 wederom van de Kleefse enclaves had meester gemaakt, werden Kekerdom en Leut verenigd met de Pruisische gemeente Niel. Bij het bekende grenstractaat van 7 October 1816 werden beide plaatsen ingelijfd bij het Koninkrijk der Nederlanden en sindsdien behoren zij tot de gemeente Ubbergen. Aangezien Kekerdom en Leut niet behoord hebben onder het ressort van een der gerichten, welker archieven tengevolge van de afstand in 1816 aan Nederland zijn overgedragen, zijn van dit voormalig Pruisisch gebied geen archiefstukken aanwezig.
Een opsomming der Kleefse enclaves in Gelderland zou niet volledig zijn, wanneer daarin geen melding gemaakt werd van enige gebieden, welke in vroegere jaren tot Kleef hebben behoord, alhoewel van hun rechterlijke archieven niets aanwezig is. Het is welhaast overbodig hier uit te weiden over het ambt Schuilenburg nabij Terborg, dat enige tijd Kleefs gebied is geweest. Schuilenburg vormde geen richterambt; de drost, die op het huis woonde, was een kastelein met militaire bevoegdheden. Uit de ambtsbrief van 28 Augustus 1464 voor de ambtsman Adolf Van Meverden *  blijkt duidelijk, dat voor de verwerving van het slot door Kleef overwegingen van militaire aard hoofdzaak waren geweest.
Wel dient melding te worden gemaakt van Ressen bij Bemmel en Wolferen bij Loenen, ten Zuiden van Valburg gelegen, welke beiden een tijdlang Kleefs zijn geweest. Ressen en Wolferen zouden door zekere Frankische koning Theoderich aan de abdij St. Vaast bij Arras zijn geschonken, welke schenking in 875 door paus Johannes VIII bevestigd werd *  . Reeds in de aanvang der 12e eeuw hadden de graven van Kleef de voogdij over de goederen dier abdij in de "pagus Bathuanus", hetgeen blijkt uit een brief d.d. 7 Maart 1120 van graaf Arnold van Kleef aan de abt van de abdij St. Vaast *  . In 1167 werden Ressen en Wolferen met "Thele" aan graaf Dirk van Kleef verkocht *  .
Het is niet bekend, of de rechtspraak in beide gebieden oorspronkelijk door één schepengericht geschiedde. Later echter vormde zowel Ressen als Wolferen een gebied op zich zelf. Dat Ressen een eigen gericht had, blijkt uit de brief d.d. 16 November 1367 *  , waarin de graaf van Kleef aan zijn mannen, dienstmannen en lieden te Ressen kennis geeft, dat hij aan Rolof van der Lawyc het gericht en de heerlijkheid aldaar had opgedragen. Kort daarna, op 26 Maart 1368, werd dat "alinge guet van Ressen end die heerlicheit mit gericht hoge end lege" enz. door de graaf en zijn gemalin aan Gerrit van Steenbergen verkocht *  , welke laatste Ressen in 1385 aan Willem van Gullk, hertog van Gelre, overdroeg *  . Sedert dien heeft Ressen tot het gebied van Overbetuwe behoord; als een overblijfsel uit de Kleefs
e tijd valt te vermelden, dat Ressen appelleerde op schepenen te Huissen *  . Tot hoelang deze toestand heeft bestaan is niet zeker; waarschijnlijk kwam hieraan een einde in 1611, in welk jaar de bank van Ressen (en Doornik) werd overgebracht naar Bemmel *  .
Ook Wolferen heeft eigen rechtspraak gehad. Het schijnt, dat de graaf van Kleef oorspronkelijk zich het hoge gericht had voorbehouden, hetgeen blijkt uit een acte d.d. 1373, waarbij Otto van Bylandt door de graaf van Kleef met het goed te Wolferen werd beleend *  . Later echter ging ook dit hoge gericht bij beleningen op de leenman over *  .
In de aanvang der 1 5e eeuw was Wolferen, sedert enige tijd met Loenen tot één heerlijkheid verenigd, aan het geslacht van Gent gekomen. Het staat niet vast, wanneer het Gelders territoir is geworden; de verklaring, welke van Spaen er voor geeft, is wel aannemelijk *  .
In de inleidende noten bij ieder der hierna beschreven archieven is medegedeeld, hoe en wanneer zij zijn overgedragen en op welke wijze zij ten slotte op het Rijksarchief in Gelderland zijn gekomen. Men zal daar zien, dat verreweg het grootste gedeelte in het jaar 1880 aan het Provinciaal Archief in Gelderland werd overgedragen *  . Sindsdien werden de stukken in pakken gebonden bewaard, welke over het algemeen zonder enige samenhang gevormd waren. Bij het uitzoeken bleek nu, dat bij de uitvoering van het grenstractaat met Pruisen in 1816 nog andere bestanddelen van Pruisische archieven behalve de hierna beschrevene waren overgedragen. In de thans geïnventariseerde archieven konden deze stukken niet ondergebracht worden; op grond van de algemene beginselen van de archivistiek zijn zij, in hoofdzaak behorende tot het archief van het staden landgericht Emmerik, ter gelegenheid van een ruil van archivalia tuss
en Nederland en Pruisen, in 1925 aan laatstgenoemd Rijk teruggegeven en geplaatst in het Staatsarchiv te Düsseldorp.
De materiële toestand der stukken is over het algemeen goed te noemen, met uitzondering van een aantal protocollen van voluntaire zaken van Zevenaar en de Lijmers, welke zeer door vocht en verwaarlozing hebben geleden. Zeer onvolledig bewaard is verder het archief van Huissen en Malburgen, hetwelk tengevolge van brand grotendeels verwoest is.
Naast beschadiging tengevolge van vocht vormt het vaak zeer onduidelijke schrift een ernstig beletsel voor het gemakkelijk raadplegen der archiefstukken. Dat dit bezwaar ook in de tijd, toen het archief nog voor de lopende dienst gebruikt werd, niet gering moet zijn geweest, valt te zien uit een schrijven van de koning van Pruisen aan de Kleefse regering, gedateerd 7 Maart 1749, waarvan afschrift gezonden werd aan de gerichten *  , en waarvan de inhoud zonder twijfel op een gedeelte van de hier beschreven archieven kan worden toegepast "Es ist keine Provintz", zo schrijft de Koning, "aus welcher slechtere, unleserlichere und verwirretere Schrifften ad acta kommen, als in denen vor Euch und vor dem dortigen Justitz-Collegio vorfallenden Processen. Das Tribunal selbst hat jungst sehr daruber geklaget, und vorgestellet, wie slecht die dortigen Schrifften ausgearbeitet wurden. Der Stylus sey mehrentheils dergestalt beschaffen, dasz
kein vernunfftiger Mensch errathen könne, was die Concipienten haben wollen, und zum noch grösseren Ungluck fur die armen Partheyen, ware die Schreiberei so ubel durch einander gezogen, dasz denen Referenten ein Eckel ankomme, wann sie das Schmierwerck mit Bedacht lesen sollen".
Bij de ordening der archieven is zoveel mogelijk rekening gehouden met mogelijk bestaande oudere inventarisaties of indelingen. Daarom zijn, in overeenstemming met de in 1780 ingevoerde werkwijze van de griffies te Zevenaar en Huissen (Hulhuizen hierbij begrepen), de verschillende losse gerechtelijke acten in contentieuze zaken en die betreffende voogdij- en curatele zaken enz., alphabetisch gerangschikt volgens de namen. Zo is ook voor de jaren na de vereniging van het gericht van Huissen en Malburgen met dat van Zevenaar en de Lijmers in 1753 een afzonderlijk archief van het eerstgenoemde gericht gevormd. Immers, ook nà die tijd is te Huissen een afzonderlijke administratie blijven bestaan, welke eerst in 1810 werd opgeheven, doch niet meer werd ingesteld, toen de Pruisische regering in 1813 opnieuw dit gebied bezette.
Aangezien plaats- en persoonsnamen in de inventarissen weinig voorkomen, schenen indices daarvan overbodig. De inhoudsopgave moge in hun ontbreken in voldoende mate voorzien.
3. Zevenaar en de Lijmers
4. Lijst van richters
Inventaris
1. Contentieuze zaken
2. Voluntaire zaken
4. Huishoudelijke zaken
5. Varia
Kenmerken
Datering:
1558-1816
Auteur:
D.P.M. Graswinckel
Licentie:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS