De nieuwe publicatie van W.F. Renaud Wagens & Karren (Walburg Pers, 2008) - een vuistdikke en 3,15 kg wegende pil - is om meer dan één reden interessant. Het is een ouderwets degelijk werk, van een soort dat tegenwoordig zelden meer verschijnt. Uitvoerig spitwerk, rijk geïllustreerd en ik vermoed - ik ken die wereld niet goed - een onontkoombaar naslagwerk voor liefhebbers van volkskundeniches en plattelandsvoertuigen.
Het boek, dat is opgehangen aan de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, is niet echt bestemd voor een groot publiek. De prijs, omvang en het specialistische onderwerp houden dat tegen. Maar dat is in dit geval niet belangrijk. Het boek is met liefde en passie gemaakt. Het is te prijzen dat een openluchtmuseum en een oud-conservator van dat museum het hebben aangedurfd een dergelijk werk te publiceren.
Oude plattelandsvoertuigen - hoe specialistisch dan ook - zijn een onderdeel van het rijke Nederlandse erfgoed en een afspiegeling van hoe mensen vroeger buiten de stad leefden. Zij geven bovendien stof tot nadenken. In moderne termen: onthaast en stressloos transport (bah...). Bovendien herinnert het boek erfgoedorganisaties aan een doelstelling, die vaak onder het karrewiel wordt vermorzeld: de zorg voor de intrinsieke waarde van erfgoed.
De auteur gebruikte voor zijn boek afbeeldingen uit de Topografisch-Historische Atlas Gelderland van het Gelders Archief. En daar zijn we best blij mee.